Tamelijk mismoedig staar ik naar de zoveelste kille regenbui van vanmorgen. Ik bevind mij in de Perim in Zaandam, op twaalf-hoog. Een uitstekende plek om het weer in de gaten te houden. De voorbijtrekkende grauwte vertelt mij dat het nog lang niet over is met de regen.
Hardlopen in de regen vind ik prima, maar het zou op deze grote dag toch iets leuker zijn als het weer wat beter werd. Na een paar jaar alleen maar durven dromen en een lange periode van stevig trainen is dit een belangrijke dag. De dag dat ik ga deelnemen aan de Dam-tot-Damloop…
Mijn goede vrienden Tom en Ilonka, bij wie ik dit weekend te gast ben en door wie ik heerlijk schandelijk ben verwend, brengen mij naar het treinstation, zodat ik zoveel mogelijk droog overkom. Of ik al nerveus ben, vragen ze me. Tot op dit moment eigenlijk nog niet.
Op het perron zijn ze direct te herkennen: mensen met hardloopkleding en plastic tassen. Mensen met allen hetzelfde doel: zich naar de Prins Hendrikkade in Amsterdam begeven, naar de start van die 10 prestigieuze Engelse mijlen.
Ineens besef ik dat ik één van hen ben en slaat het monster toe: ja hoor, ik ben nerveus!
Ook op het Amsterdamse Centraal Station is het een gekkenhuis. Ik schat dat zeker de helft van de mensen hier hardloper is. Buiten is het al niet anders. Mensen zoeken naar WC’s, kledingauto’s, vuilnisbakken. Velen zijn aan het inlopen of loopscholing aan het doen. Ik trek me terug uit deze chaos en zoek een perron op, waar meer lopers hun kamp hebben opgeslagen. Ik heb alle tijd om nog uitgebreid zoveel mogelijk bananen te eten, me om te kleden en een schoon toilet te zoeken.
Inlopen doe ik voor een deel op het perron. Als ik op het onoverdekte stuk daarvan kom, valt me iets op… Het is opgehouden met regenen en ik zie zelfs blauwe lucht! Zou ik dan andermaal geluk hebben met het weer? Ik moet denken aan mijn trainer die veel eerder is gestart en nu ongeveer binnen moet zijn. Hij moet in de stromende regen deze tocht hebben gedaan. En ik durf te wedden dat hij ervan genoten heeft…
Ineens wordt het nu serieus tijd om eens richting de Start te gaan. Ik geef mijn kledingtas af bij het kledingtransportpunt, maar niet voor ik nog een disposable regencape om heb gedaan. Je weet maar nooit of de weergoden voor de gein nog even de kraan open draaien. En dan sta je daar straks in je startvak, hartstikke koud te worden. Ik eet de laatste banaan en loop nog een stuk in en maak me lekker los. Niemand doet mij nu nog wat!
Langs de route naar het startvak kan het vermaak al beginnen. Er staan DJ’s, zangers en een groepje mensen krijgt een Djembé-workshop. De startvakken zijn al goed gevuld en ik gooi mijn cape in een container. Ik ga ergens lekker anoniem tussen staan en koester me in het vriendelijke zonnetje.
Ik hoor het mijn trainer nog zeggen: ”De Dam-tot-Damloop? Ik geloof in jou. Ik geloof zeker dat jij dat kunt!” Dat geloofde ik toen niet.
De startgroep voor de mijne is net weg en ik besef daarmee: nog minder dan 10 minuten!
Er wordt “gewaved” en een bekende Nederlandse houdt een toespraakje over kinderen met een stofwisselingsziekte. Maar, egoïstisch als ik op dit moment ben, kan ik me daar niet op concentreren. Ik wil rennen, laat me gaan!
PANG! Daar gaan we! Het duurt nog even voor ik bij de rode matten ben die de tijdregistratie starten, maar dan ben ik toch echt op weg.
Ik moet rustig aan beginnen van mezelf. Ik heb nog 16,1 kilometer voor me, te beginnen met de IJ-tunnel. Als ik mezelf nu al voorbij loop, is de lol er voor de rest van de tocht snel af. Bovendien heb ik me voorgenomen niet als een afgewerkt stuk stopverf over de finish te komen, maar minty-fresh, alsof ik dit soort dingen wekelijks doe.
Voor de leden van de damesdrumband die aan het begin van de tunnel al uren voor ons aan het werk zijn, is het te hopen dat ze oordoppen dragen. De immense, maar tegelijk opzwepende geluidsboost die ze produceren, kan nooit goed voor het gehoor zijn. Het maakt voor mij dat ik een extra stoot energie krijg en ik kan ze aan het eind van de tunnel nog steeds horen drummen.
De IJ-tunnel is een ervaring op zich. Talloze keren ben ik hier met de bus doorheen gereisd en de enige keer zonder bus, was tijdens de dramatische Dam-tot-Dam-skeelertocht in 1997, waarbij velen ten val kwamen en zelfs botbreuken opliepen.
Nu ren ik, in goed vol te houden tempo, de Westbuis in. Het enige dat te horen is, is de drumband. Verder zijn een paar duizend mensen opvallend stil en geconcentreerd aan het hardlopen.
De lange sliert mensen gaat de IJ-tunnel uit en Amsterdam-Noord in. Ineens herken ik de Buiksloterdijk. Ik heb hier wat keren gewandeld tijdens lunchpauze’s. Wie had toen kunnen denken dat ik hier nog eens zou hardlopen?
Om de zoveel meter staan er wel enthousiast feestende mensen. Ze roepen naar ons dat we het goed doen. Ik zwaai naar ieder bandje dat voor ons staat te spelen.
Ik zie een bord: “U nadert een verzorgingspost”. Er is water en fruit te krijgen, maar ik stop niet. Voor drinken en eten moet je stilstaan en het lijkt mij onhandig. Bovendien moet men hier opletten geen schuiver te maken over alle, tot pulp gelopen, bekertjes en sponzen.
Intussen ben ik blij dat ik zo weinig mogelijk kleding aan heb, want het is ronduit warm geworden.
“Zijn we al bijna in Zaandam?” vraagt mij een meisje, dat eruit ziet alsof ze weldra in huilen zal uit barsten.
“Nog lang niet! We zijn Noord nog niet eens uit!” roep ik. En ik voel niet eens medelijden met haar.
Bij de volgende waterpost besluit ik toch eens te proberen wat een paar slokken water voor me kunnen betekenen. Ik gris al rennend een bekertje weg en ga tien meter verder op de rem. In een nanoseconde gooi ik het water naar binnen en ik ren verder.
Dat viel niet tegen. Het is even een handigheidje, maar het heeft me nauwelijks tijd gekost en na een paar honderd meter doorrennen, voel ik me wonderlijk fris worden. Ik besluit vanaf nu elke verzorgingspost te plunderen.
Dan laat ik Amsterdam-Noord achter me en volgt een lang stuk langs de A8. Ook dit herken ik: als woon-werkfietsroute. Hoe verder ik kom, hoe meer mensen ik zie afhaken. Er zijn er die lange stukken wandelen, maar ik zie ze nu ook langs de weg zitten, totaal afgedraaid.
Ik kan trots constateren dat ik tot nu toe nog geen enkele keer de aanvechting heb gevoeld ook maar een beetje tempo terug te nemen. (Later zal uit een grafiek blijken dat ik inderdaad heel constant 33 minuten per 5 kilometer heb gelopen.). Er schiet mij zelfs een uiterst arrogante gedachte door het hoofd: misschien waag ik het binnenkort eens de halve marathon van Egmond te doen!
Ik ga aan de laatste 5 kilometer beginnen en ik denk: nog even en dan is deze langbegeerde loop alweer voorbij. Dat wil ik nog niet!
Op de Noorder IJ- en Zeedijk is er een straat van videoschermen opgericht. Er zijn levensgrote persoonlijke boodschappen op te lezen: “Marc, succes man, je kan het!” en “Nog even schat, je bent er bijna. Zet hem op!”. Stiekem hoop ik dat er voor mij ook iets staat, maar nee… Ik weet echter dat er vijf mensen naar de Dam in Zaandam zijn gekomen, om mij aan te moedigen. Dat is misschien wel veel meer waard.
Uiteindelijk gaat de route over in de Zuiddijk en dit is misschien wel het mooiste deel van de loop. Ik loop inmiddels in een gat en dus min of meer alleen. De straat is afgeladen met feestende mensen. Een gezin heeft omaatje van zolder gehaald en haar, met sloffen aan, op een klapstoeltje op de stoep gezet. Ze zit er stilletjes bij, maar je ziet dat ze geniet. Iemand heeft kneiterhard een houseversie van het Wilhelmus opgezet. Het contrast is des te groter: supporters die me doorrookt en half lazarus aanmoedigen en ik die me het lazarus aan het rennen ben. Want ik heb er inmiddels nog een beetje gas bij gedaan.
Ik krijg zo’n enorme kick van alle muziek en die mensenmassa, dat ik niets van pijn of uitputting voel.
Ik ga linksaf de Burcht op en er komen mij mensen tegemoet die ik als lopers herken. Ze zijn al klaar en hebben een medaille om hun nek.
Dan rechtsaf, een klim de brug op en dan naar de Dam die nog voller lijkt te staan dan de Zuiddijk. Hier is het gejuich en gestamp echt niet van de lucht. Ik ben niet iemand die zonodig in het middelpunt van de belangstelling hoeft te staan, maar hier krijg ik toch echt kippenvel van. Ik kan niet anders dan nog meer tempo maken. In de bocht naar de laatste brug voor de finish, waar het ineens heel leeg is, zie ik totaal eenzaam twee bekenden staan die, geconcentreerd naar mij speurend, overigens straal langs mij heen kijken.
“Olav! Opletten!!” brul ik. Dan zien ze me. We barsten alledrie in lachen uit en in een flits ben ik ze voorbij. Op het wegdek ligt een plakkaat dat zegt dat ik nu nog maar 500 meter heb te gaan. En voor die 500 meter trek ik er nog een laatste versnelling uit. Midden op de brug zie ik daar ook Tom en Ilonka weer staan. En Tom, die altijd zegt: ”Hardlopen? Daar heb ik niet zo veel mee,” is nu als een malle foto’s van me aan het maken. We gieren naar elkaar!
Dan gaan mijn ogen naar de eindstreep. Nog even en dan is deze fantastisch leuke loop alweer voorbij en moet ik een jaar wachten om dit opnieuw te mogen doen. Ik storm op de finish af en hoor dat iemand mijn naam omroept. Dan zijn daar de rode matten weer en wordt mijn eindtijd geregistreerd.
Ik ben er! En ik heb het gedaan!
In een van de sluizen na de finish krijg ik iets in mijn handen gedrukt. Pas minuten later kom ik op het idee te kijken wat men mij nu eigenlijk heeft gegeven. Het is de Dam-tot-Damloop 2011-medaille.
©Fieke Halberstadt
September 2011




